Ikke, ikke, ikke


 

De begin-ik

Het werd er al vroeg ingepeperd: nooit een brief of verhaal beginnen met ‘ik’. Het liefst zelfs geen zin, in ieder geval geen nieuwe alinea. De verwoede pogingen van lagere schooljuffen en –meesters om ons de regels van beleefd taalgebruik bij te brengen, waren niet vergeefs. Jarenlang heb ik volgens deze regels geleefd. Al koste het soms de nodige moeite, de ‘ik’ verscheen niet op de eerste plaats.

Ik met stip op 1

Vorige week sprak ik een collega ondernemer over een mogelijke samenwerking en ondersteuning bij het schrijven van haar nieuwsbrieven. De brieven waren voor haar een maandelijkse worsteling met taal. Bij teksten van derden viel het haar op dat ‘ik’ vaak met stip op 1 stond. Samen concludeerden we dat de ‘begin-ik’ meer regel dan uitzondering was, in geschreven en gesproken taal.

Teken des tijds?

Is dat erg? Nee. Taalkundig is er niets mis met de begin-ik. Ook sociaal, moreel of anderszins is deze stijlvorm goed te verdedigen. Beleefd zijn en ik gaan prima samen. Toch wringt er iets. Wat zegt het over onze cultuur als we onszelf steeds voorop stellen? ‘Ik wil’, ‘ik doe’, ‘ik moet’. Egocentrisch? Individualistisch? Overmatig zelfbewustzijn? Iedere tijd kent zijn eigen woorden en stijlvormen. En, om het cliché maar uit de kast te halen: taal leeft en moet leven.

Daarom bezie en beluister ik de begin-ik met plezier en verwondering. Als een teken van deze tijd.  Er komen vast weer andere tijden.

Leave a Comment